![]() |
> 9 mei 2008, Cebu City “Ik smokkelde rijst, vis, gedemonteerde nieuwe auto’s. Gewoon per boot. Maar ik verdiende er maar een magere boterham aan, 11.000 pesos (EUR 150) per maand voor binnen de Filippijnen, het dubbele, niet veel meer, voor naar het buitenland.” De taxichauffeur baant ons al pratend een weg door een demonstratie in de binnenstad van Cebu. Hij heeft gesmokkeld op Vietnam, China, waar al niet. Hij had ervoor gezeten, en hij had het voor gezien gehouden. “Voor 500 pesos (EUR 7) per dag huur je hier een auto. Als je genoeg klanten hebt op een dag, haal je die investering er weer uit, en hou je als het goed is nog wat over. Maar dat valt niet mee, want de competitie tussen taxi’s in Cebu is groot. 16 of 17 uur per dag werken, dan lukt het wel. Als je maar geen schade rijdt.” Zijn grootste angst, want dan betaal je je leven lang af aan de eigenaar. “Kun je in Nederland nog wat verdienen met smokkelen?” Veel vlaggen en gebalde vuisten voor het zijraam. De demonstratie trekt voorbij, en we rijden door. De Filippijnen, een land vol tegenstrijdigheden. De aardigste mensen die je je maar kunt voorstellen, doorgaans open maar veel te lief en meegaand, en een overheid die van zakkenvullen aan elkaar hangt. De wetgeving voor inheemse volken is erg goed, veel beter dan in welk ander Aziatisch land ook – het gevolg van een langdurige en sterke sociale beweging. Maar tegelijkertijd is de uitvoering van de wet bedroevend slecht, en kent de Filippijnen na Irak het hoogste aantal politieke moorden ter wereld. En staat het land aan de rand van de financiële afgrond.
Ik ben op weg naar het zuidelijke Mindanao, het op een na grootste eiland in de Filippijnse archipel. Het eiland van de “Tri-people”: de Lumads (de oorspronkelijke bewoners), Bangsamoro (idem maar later geïslamiseerd) en de christelijke migranten uit de Visayas. Maar niet bepaald een smeltkroes: de conflicten zijn er heviger dan waar dan ook in de Filippijnen. Als ik met de nachtboot van Cebu aankom in Cagayan de Oro op Noord-Mindanao, wordt al vanaf de kade geroepen dat de jeepneys staken. Jeepneys zijn kleurrijke verlengde jeeps, vol toeters en bellen en spreuken. Give Peace a Chance, Mother and Motherland are greater than Heaven. Op twee tegenover elkaar geplaatste lange banken kunnen zo’n 15-20 mensen plaatsnemen. Of 30, als je het dak meetelt. De jeepney chauffeurs proberen de regering te bewegen iets te doen aan de voortdurend stijgende brandstofprijzen. Een wanhoopsstaking, misschien een dag of twee vol te houden. De regering in het verre Manila zal niet onder de indruk zijn, en gemiste inkomsten worden uiteraard niet gecompenseerd. Ik heb sympathie voor de actie, maar hoe kom ik nu in Bukidnon, ruim twee uur hier vandaan? Gelukkig blijken er nog een paar bussen te rijden, en vroeg in de middag braakt een propvolle Rural Transit bus me uit op de markt in Malaybalay.
> 12 mei 2008, Malaybalay Bukidnon, ooit het land van de Lumad volken Talaandig, Higaonon en Bukidnon. Nu een provincie, grotendeels in handen van immigranten uit de noordelijke Visayas. Aangemoedigd door de Filippijnse regering hebben de Cebuano’s zich sinds de vijftiger jaren massaal op Mindanao gevestigd, een menselijke buffer tegen separatistische claims voor een moslimstaat. De nieuwkomers kregen behalve geldpremies en banen ook de eigendomspapieren over land, om het te bewerken en hun huizen te bouwen. De Talaandig, van oudsher bekend als trotse krijgers die voor niemand wensen te buigen, werden tot hun ontzetting verslagen door stukjes papier. Ze hadden hun eigen ideeën over de waarde van bomen en alles wat er in de grond zat. Ze hadden verder met de problemen tussen de regering en moslimrebellen niets te maken, en wilden er ook niets mee te maken hebben. Maar protesteren hielp niet. Hun wapens waren minder sterk dan die van het leger dat meekwam om de orde te bewaren, en ze konden niets uitrichten. De meeste Talaandig dropen af naar de minder vruchtbare heuvels in het achterland.
Nu weten we dat er altijd dorpjes zijn die zich blijven verzetten. Na mijn intrek genomen te hebben in een hotelletje in het centrum van Malaybalay, bel ik Elfranco, een jonge Talaandig leider, dat ik er ben. Toen de Cebuano's kwamen en de meeste Talaandig vertrokken naar de heuvels, besloot zijn familie te blijven. Hun dorp Ticala ligt temidden van uitgestrekte ananasplantages van Del Monte, een uurtje vanaf Malaybalay. Ze mogen gebruik maken van de wegen die Del Monte door de plantage heeft aangelegd, maar niet van de ananassen eten. Elfranco pikt me met zijn tot op de draad versleten brommer op van het hotel. Hij begint dadelijk te vertellen over alle successen die ze de afgelopen tijd hebben geboekt. De vermoeidheid valt meteen van me af, en als vanzelf komt er een glimlach op mijn gezicht. Als ik ergens kom beginnen mensen meestal over hun problemen te praten. Maar de Talaandig zijn uit een andere houtsoort gesneden. Problemen zijn er wel, maar het is maar hoe je ermee omgaat. Ze hebben hun onverzettelijkheid en strijdbaarheid nog niet verloren, en dat vind ik mooi aan de Talaandig.
Hoe is het met Glinsterende Vrede, vraag ik? Zijn vrouw en hij hebben hun vijf dochters traditionele namen gegeven. De oudste heet Maliwanag (“Licht”). De tweede Saulana Anamag (“Glanzende Kruik met Vrede”). De derde Salumayag, de naam van een grote dominante schaduwgevende boom waarvan het sap brandbaar is, en voor fakkels wordt gebruikt. De vierde Malayag Kalinaw (“Glinsterende Vrede”). De vijfde en jongste dochter heet Yambunganen, naar een fee in het Palaopao gebergte die trouwde met een sterveling. Ze was volgens de overlevering een voorouder van de Talaandig. “Goed”, luidt het antwoord.
We rijden door een labyrint van hobbelige wegen door de ananasplantages
naar Ticala. De gemeenschap van Bai Adelina had al gedreigd met een rechtszaak, om te eisen de vergunning aan de rundveehouderij weer in te trekken. Dat zou een slepende en dure kwestie kunnen worden, met onzekere afloop. Het Filippijnse rechtssysteem is soms al net zo corrupt als de overheid zelf. Maar toch heeft het blijkbaar indruk gemaakt, het voorlopig resultaat is dat de reus komt praten met Klein Duimpje!
Elfranco schatert van onder zijn rode hoed. Hij is introverter dan andere Talaandig, maar zijn zelfvertrouwen is de laatste jaren toegenomen. Er zijn tekenen dat de Talaandig, en de verwante Higaonon en Bukidnon, nu eindelijk serieus worden genomen. Met een kalkmijn is begin dit jaar overeenstemming bereikt over winstdeling met de lokale bevolking, en herstel van vernietigd gebied. De winstdeling bestaat uit investeringen door het bedrijf in verbeteringen van het gemeenschapshuis van de Talaandig, het herstel omvat herbebossing. Of de gemaakte afspraken ook nagekomen zullen worden, valt nog te bezien natuurlijk. Maar het is een positieve ontwikkeling. > 13 mei 2008, Iligan City Het “Asterix-dorpje” Ticala is het centrum van de Mount Palaopao and Upper Mangima Tribal Communities (MPUMATRIC). De achtergebleven Talaandig proberen hier temidden van de ananasplantages van Del Monte de traditionele gezagsstructuur in stand te houden. Als je dat via een geregistreerde organisatie doet, kun je ook proberen financiële steun te krijgen. Niet iedereen heeft toverdrank. Het NCIV heeft hen al verschillende keren via GRIP gesteund. Kippenbloed Al jarenlang doen ook speleologen, mensen die om heel andere redenen gek zijn op grotten, de voor de Talaandig heilige grotten aan. Met speleologen uit Manila en de VS is nu in april 2008 afgesproken dat die hun bezoek voortaan aankondigen, zodat eerst de rituelen worden uitgevoerd voordat ze de grotten betreden. Vooral de Amerikanen waardeerden de afspraak, ze hadden het gevoel dat het iets toevoegde aan hun mystieke ervaring. Ook zal de rotzooi voortaan worden opgeruimd, en zullen de grot-hobbyisten een financiële bijdrage leveren aan een informatiecampagne voor bescherming van de grotten. De Talaandig structuur staat en werkt, en ik ben blij dat we daar met GRIP een bijdrage aan hebben kunnen leveren. Dat ging via het faciliteren van bijeenkomsten en activiteiten van de Council of Leaders, en sponsoring van de school voor levende traditie waar jonge kinderen de taal en cultuur van de Talaandig leren. Met geld los je problemen nooit op, maar het is een handig smeermiddel dat de sociale machinerie soepeler kan laten lopen. Bijna net zo goed als toverdrank. Ik vertrek optimistisch gestemd weer naar Cagayan de Oro, dit keer zonder logistieke problemen. De benzine is nog even duur, misschien wel weer duurder, maar de jeepneys rijden weer. Mijn volgende bezoek is aan de provincie Zamboanga, een kritiek gebied waar ik nog nooit ben geweest en een tikkeltje zenuwachtig voor ben.
> 14 mei 2008, Zamboanga De geschiedenis van Zamboanga valt niet lichtvoetig samen te vatten. Het gebied op West-Mindanao heeft decennia lang strijd gezien tussen het regeringsleger en separatistische moslimrebellen. Veel inheemse volken werden door beide partijen beschuldigd van collaboratie. Hun huizen werden platgebrand, hun mensen vermoord. Pas in 1996 werd een vredesakkoord gesloten tussen het regeringsleger en de MNLF (Moro National Liberation Front). Maar kort erna al laaide een nieuw conflict op - tussen het leger en een factie die het akkoord niet accepteerde. Deze noemde zich de MILF (Moro Islamic Liberation Front). Donker glas De mensen van MOFAZS hebben een auto met donker glas. Zolang we langs de hoofdwegen blijven is er niets aan de hand, wordt me verzekerd, en daar vertrouw ik op. Er zijn veel militairen langs de weg en we worden verschillende keren aangehouden bij wegblokkades, maar na een rit van zes of zeven uur bereiken we inderdaad zonder incidenten het stadje Buug. Ik kan overnachten in het huis van Muner. Muner is al lange tijd werkzaam met en voor ngo’s, en heeft al vaker vertegenwoordigers van buitenlandse ngo’s in zijn huis gehad. Dat is veiliger dan in een hotel. > 15 mei 2008, Buug De enigen van wie ik in Zamboanga eigenlijk echt last heb zijn de muggen, grap ik de volgende ochtend tegen mijn metgezellen Muner en Neri. Ik heb aardig wat bulten. We bezoeken het kantoor van MOFAZS (Moro Farmers Association of Zamboanga del Sur). Buug is ondanks de onderhuidse spanningen een duf stadje, en het kantoor is al niet veel interessanter. De grootste plus is een handgemaakte kaart aan de muur, die beter is dan die in mijn Lonely Planet. Er staat ook een computer, maar de internetverbinding is slecht. Organisaties waarmee we werken wonen zelden in de gemeenschap zelf, waar immers vaak geen elektriciteit en andere infrastructuur voorhanden is. Een manco van het werken met inheemse volken. We gebruiken onze tijd om de achtergrond van het project nog eens door te nemen. Vorig jaar hebben we via MOFAZS een project gesteund van de Kalibugan. Een gemeenschap die ooit behoorde tot de grootste inheemse groep op Mindanao (de Subanon). In de 14e eeuw werden zij door Maleisische kolonisten bekeerd tot de islam. In feite zijn de Kalibugan inheems, al is hun religie anders dan die van de Lumads.
In 1996 verwierven de Kalibugan een zgn. CADC (Certificate of Ancestral Domain Claim) voor ongeveer 5.000 ha. Hun voorouderlijke domein was veel uitgestrekter. Maar officiële erkenning van een klein stukje voorouderlijk gebied is ook al erg mooi, en niet iets wat elk inheems volk ten deel valt. Voordeel is dat bedrijven en andere buitenstaanders er geen operaties meer mogen uitvoeren zonder toestemming van de gemeenschap. Ook verplicht de overheid zich tot assistentie voor bescherming en ontwikkeling van het gebied.
Maar in 1997, nauwelijks een jaar nadat de Kalibugan hun felbegeerde CADC hadden binnengehaald, veranderde de wet. De nieuwe wet, de IPRA (Indigenous Peoples Rights Act) sprak niet over CADC, of een claim, maar over CADT: Certificate of Ancestral Domain Title. Nu is een titel sterker dan een claim, en was er dus wel degelijk sprake van een vooruitgang, maar de houders van een oude CADC waren er niet gerust op. De Kalibugan informeerden bij de lokale NCIP (National Commission on Indigenous Peoples) over de status van hun CADC. Na lange onduidelijkheid besloot de NCIP vorig jaar dat die dan maar moest worden omgezet in een CADT. Dat betekende: opnieuw een volkstelling, opnieuw verwantschapsonderzoek, opnieuw documentatie van de culturele tradities van de Kalibugan, en opnieuw een kaart maken van de grenzen van het gebied. MOFAZS diende namens de Kalibugan een projectvoorstel in bij GRIP voor financiering van deze activiteiten. Ze vermeldden erbij dat het geval door de NCIP als paradepaardje werd beschouwd. De NCIP zou met de toewijzing van de CADT zelf ook goede sier maken – ze waren een nieuwe ploeg en hadden nog geen CADT toegewezen. Bovendien ging het om een omzetting van een eerder succesvolle aanvraag, dus de kansen leken groot. Nu, een jaar later, blijkt de CADT nog niet binnen, hoor ik op het kantoor van MOFAZS. Het wachten is, inderdaad, op medewerking van de NCIP, die na goedkeuring van hogerhand ingenieurs beschikbaar moet stellen voor het maken van de kaart. De rest van de activiteiten is wel al voltooid. > 16 mei 2008, Dalangan Muslim Na het doorpluizen van brieven, memoranda en andere communicaties met diverse instanties vertrekken we de volgende ochtend al vroeg naar Titay, nog voorbij Ipil en dus opnieuw een uur of drie reizen. Ons doel van vandaag is het dorp Dalangin Muslim, waar we zullen overnachten in het huis van Wahid Toto. Wahid is samen met de panglima gekozen tot “head claimant”. Dat wil zeggen dat hij mag spreken namens de bevolking met de verschillende betrokken instanties. Wahid werkt bij de National Commission on Indigenous Peoples (NCIP), de panglima is een traditionele politieke leider. Kokosnotenboom Wahid legt uit dat elk van de 21 gemeenschappen binnen de claim van 5.000 ha. is vertegenwoordigd door een aantal leiders in de Kalibugan Council of Elders (KCE). Dat zijn de panglima (politieke leider), de imam, hatib en bilal (religieuze leiders), de wajir (rechter) en untum (commandant). De raad van oudsten bestaat dus in totaal uit 6x21=126 mensen. In totaal waren er onder de CADC 315 huishoudens als directe belanghebbenden, maar tijdens de laatste telling bleek dat aantal te zijn gegroeid tot 420 huishoudens, meer dan 2.000 mensen. We gaan nog even door over de ins en outs van de structuur, tot we worden onderbroken door een paar buurtgenoten. De oudste man van het dorp komt langs. Hij heeft gehoord dat er een buitenlander is gearriveerd, en is nieuwsgierig. Hij is over de 80, en vorige maand uit een boom gevallen toen hij een kokosnoot naar beneden wilde halen. Nee, ik heb geen medicijnen om de pijn in zijn milt te behandelen. Wel hebben we sigaretten en koekjes. En Nescafe natuurlijk. Ons onderwerp is van de agenda. Er wordt nu aandachtig geluisterd naar de verhalen van de oude man. Wahids vader laat zijn buffel, die hij even verderop laat grazen, ervoor in de steek. Zijn haar plakt en het zweet loopt in straaltjes langs zijn gezicht als hij zijn grote strooien zonnehoed afzet, en gaat zitten. Drie koppen Nescafe verder, met nu en dan een angstige blik of de buffel niet ergens een tuin inloopt, zit hij er nog steeds. Maar dan ben ik al afgehaakt.
> 17 mei 2008, Titay De laatste en onvermijdelijke etappe van onze reis naar de Kalibugan is die naar de gemeenschap zelf, over slechte wegen die door hevige regen van de afgelopen weken nog onbegaanbaarder zijn geworden. Als we eindelijk tot aan de grens van de claim zijn gekomen, wacht een groep van ongeveer 30 mensen ons op. Ze zijn van tevoren geïnformeerd over ons bezoek. Nu zie ik dan eindelijk de Kalibugan zelf, niet alleen papieren rapporten en vertegenwoordigers op afstand. Ze blijken bijna net zo gewoon te zijn als mensen in andere Filippijnse dorpen. Er is geen elektriciteit dus er worden nog geen computergames gespeeld, maar verder zijn de favoriete bezigheden van de jeugd ook hier biljarten en basketball. De Kalibugan verbouwen rubber, mais, traditionele rijstsoorten, en wortelgewassen als cassave, en ook hebben ze fruitbomen. Jachtgronden En er waren andere voordelen, vult iemand aan. “Binnen de 5.000 ha. van de claim vallen er 300 onder een al eerder afgegeven houtkapvergunning aan de beruchte Consunji, een van de rijkste en machtigste zakenlieden in de Filippijnen. Maar Consunji durft de bomen niet te kappen, omdat hij na afloop direct zijn rechten over het gebied verliest.” Het blijkt dat na het kappen het gebied op grond van de CADC vervalt aan de Kalibugan – en Consunji wil ook graag de delfstoffen in de grond hebben. Waarschijnlijk zoekt hij nu uit hoe hij dat juridisch voor elkaar moet krijgen, maar voorlopig weerhoudt het hem van de kap. Dat alleen al is winst. Het belangrijkste effect van de CADC is de hervonden eenheid, meent iemand. Mensen mompelen wat, en knikken bevestigend. Men heeft het er eigenlijk liever niet meer over. Na de burgeroorlog in de jaren '70 en '80 waren de Kalibugan volledig uit elkaar geslagen. Families waren verdreven van hun grondgebied, en durfden niet meer terug. Mensen waren getraumatiseerd en bang voor de migranten, die hun grond met geweld hadden ingenomen. Met de CADC kwam er erkenning, en een gevoel van kracht en nieuwe eenheid. 80 van de 315 huishoudens zijn inmiddels teruggekeerd naar het gebied waar ze tijdens de oorlog van waren verdreven. We lopen door de enige straat naar de rand van het dorp, waar vandaan we uitzicht hebben over het centrum van de Kalibugan claim. Enkele oudsten lichten het toe.
“Onze koning of Matua Raja woonde in de vlakten, ver hier vandaan, bij de begraafgronden en in het centrum van de Kalibugan beschaving. Daar werden onze voorouders in de 14e eeuw geïslamiseerd. Maar de vlakten werden in de jaren '50 en '60 als eerste ingenomen, en onze koning verloor zijn macht al snel. Met hem verdween de verbinding tussen de verschillende lokale gemeenschappen. Het centrum moest worden opgegeven en de heuvels vormen de restjes, voor anderen niet zo interessant. Wat je hier ziet, zijn onze oude jachtgronden. Maar iets is beter dan niets. We herclaimen wat nog over is. En de heuvels bieden bescherming.” De raad van oudsten wil verdere consolidatie van de eenheid. Er moeten meer Kalibugan vertegenwoordigers in de lokale overheid. Ook willen ze een centrale markt, waar boeren hun producten voor een betere prijs kunnen verkopen. Nu worden ze vaak opgelicht door tussenhandelaren, die hen veel te lage prijzen geven. Hoe zit het met de niet-Kalibugan in het gebied, vraag ik? De relatie met de Subanon (het lumad volk waar de Kalibugan van afstammen) blijkt goed, maar die met de christelijke migranten erg moeizaam. Veel Kalibugan zijn tijdens de oorlog gedood door prive-legers, en het Filippijnse hof wil klachten niet in behandeling nemen. Er zijn in totaal 36 migranten huishoudens binnen de grenzen van de CADC. Er wordt aan gewerkt de verstandhoudingen te verbeteren. De Kalibugan raad van oudsten erkent hen, als ze hun grondgebied niet uitbreiden, en hun verwanten niet uitnodigen zich hier te komen vestigen. Sommige migranten erkennen op hun beurt de claim, en vijf van hen hebben de petitie ondertekend dat zij deel willen uitmaken van de CADT. Anderen zijn nog wantrouwend, en zijn bang dat ze toch worden verdreven. Na het afscheid rijden we terug over dezelfde modderige weg waarover we gekomen zijn. Nog een maandje of wat, dan zal de CADT rond zijn. Tenminste, als we de berichten van de NCIP mogen geloven. Een nieuwe periode voor de Kalibugan breekt dan aan, met nieuwe rechtszekerheden. Hopelijk brengt het ze verder.
> 20 mei 2008, Cotabato City Mijn laatste halte is Cotabato City, de stad waarin vertegenwoordigers van de Teduray en Lambangian kantoor houden. In 2006 heeft GRIP een capaciteitsversterkend project gesteund, met al onze partners op Mindanao. Ik kom nu vooral om te helpen de eindrapporten in orde te krijgen. Ook maak ik nog een uitstapje naar Tacurong City, twee uur verderop. Daar hebben we een partner-organisatie zitten die al een paar jaar een eindrapportage schuldig is, een zgn. “wanrapporteur”. Dat zijn niet de leukste of de makkelijkste bezoekjes. Maar het lukt, ik krijg alles mee waar ik om kom. Beladen met een kilo of 3 aan rapporten verlaat ik Mindanao.
Mijn laatste bezoek van deze reis is aan het grootste nationale park in de Filippijnen: Northern Sierra Madre in het noordoosten van het grootste eiland, Luzon. Dit is ingesteld in 1997 en omvat 360.000 ha. regenwoud, mangroven en kustgebieden. Ook biedt het een thuis aan de Agta, de allereerste bewoners van de Filippijnen. Het nationaal park wordt beheerd door een parkbestuur, waarin ook 12 Agta zitting hebben. Zij vertegenwoordigen de belangen van de 1.800 Agta die binnen de grenzen van het park leven. Het bestuur komt zo'n drie tot vier maal per jaar bij elkaar. In de praktijk bleek de deelname van de Agta in de besluitvorming echter nauwelijks effectief. De Agta worden niet tijdig geïnformeerd, en zijn onvoldoende voorbereid op de agendapunten waarover besluiten worden genomen.
Een ander probleem is dat de Agta nauwelijks geld hebben om naar de bijeenkomsten te komen, en dat ze vanwege hun lage opleidingsniveau de onderwerpen soms niet begrijpen. Dit terwijl ontwikkelingen zoals illegale houtkap, dynamietvissen en versoepelde regelgeving omtrent mijnbouw een directe bedreiging vormen voor hun gemeenschappen. De Agta zijn semi-nomadische jagers en verzamelaars, en economisch sterk afhankelijk van het bos. Het project dat we eind vorig jaar vanuit GRIP hebben gesteund omvat een training voor de 12 Agta bestuursleden, ter verdieping van hun kennis en relevante vaardigheden. De training moet een gezamenlijke Agta “position statement” opleveren over de belangrijkste thema's voor de Agta in het parkbeheer. Verder is er een “community organizer” aangesteld, die de bijeenkomsten van het parkbestuur moet voorbereiden en afhandelen. Dit betekent lobby voor tijdige uitnodiging en sponsoring van hun reiskosten, en recapitulatie met de Agta bestuursleden van wat er tijdens de vorige bestuursbijeenkomst is besproken. Ook bespreekt de community organizer de agenda voor de aankomende keer, en helpt ze de Agta de eigen agenda voor te bereiden.
> 15 juni 2008, Tuguegarao Het project is eigenlijk nog maar net begonnen, en er valt dus nog niet zoveel te evalueren. Maar toch vertrek ik op zondagochtend vroeg met community organizer Maria en haar man Mario naar de Agta. Zoals te verwachten ook dit keer een tijdrovende reis: met minibus, jeepney, en vrachtwagen tot aan de grens van het park. Als we dragers hebben gevonden die de meegebrachte etenswaren willen vervoeren, moeten we dan nog drie uur lopen. We halen het niet voor donker, en overnachten op de post van een krokodillenproject. De volgende dag komen we alsnog aan bij onze bestemming, het Agta dorp Dalayap. Nou ja dorp... Er staan twee onooglijke hutjes bij de rivier, en maar een ervan blijkt bewoond. Maria kijkt verbaasd: vorig jaar oktober, toen ze hier voor het laatst was, waren hier nog een stuk of 10 families. We vragen het de vrouw die in de schaduw onder haar afdak zit. Ze wijst naar boven, naar de heuvels. Het is regenseizoen, dus de Agta hoeven niet in de buurt van de rivier te blijven. De meeste zijn vertrokken naar hun meer permanente woningen, dichter bij de jachtgronden en de bostuinen.
Ongeluk Olalia is aan huis gebonden, omdat ze nauwelijks kan lopen. Een paar maanden geleden heeft ze een ongeluk gehad. Uit economische noodzaak werken sommige Agta in de illegale houtkap. Ze vervoeren boomstammen die van de bovenloop van de rivier komen aandrijven. Olalia's voet raakte bekneld tussen twee boomstammen, en ze verloor twee tenen. Geld voor een dokter heeft ze niet, ze heeft de voet gewikkeld in een smerige lap. Ze spreidt de meegebrachte tabaksbladeren uit op het plat van haar hut, en verdeelt ze in stapeltjes voor de ongeveer negen families die in de buurt wonen. In de buurt betekent zoveel als binnen een uur loopafstand, want echte dorpen hebben de Agta niet. Toch weet al snel iedereen dat we er zijn, en komen mensen druppelsgewijs aanlopen. We zetten koffie van de meegebrachte Nescafe. De suiker, de rijst en de blikjes sardines worden belangstellend geïnspecteerd, maar nog niet verdeeld. Een tegenvaller is dat de drie van de 12 leden van het parkbestuur die in deze gemeenschap wonen er niet zijn. Twee zijn er op jacht, de derde is op familiebezoek bij een Agta gemeenschap aan de andere kant van het park. Het is niet bekend wanneer ze terugkomen. Het kan een dag duren, een week, maar ook langer. Met de Agta die er wel zijn beleggen we de volgende ochtend, voor ze naar hun bostuinen gaan, een bijeenkomst. Maria heeft haar materialen meegenomen. Aan de hand van plaatjes legt ze Agta uit wat een nationaal park is, en welke rol het parkbestuur daarin speelt. De meeste aanwezigen zijn ongeletterd. De kaart zegt ze niets, maar ze luisteren ontspannen en kijken geïnteresseerd naar de tekeningen en foto's. Als ze een bekende zien wordt er gelachen. Bewondering bij een foto van een grote vis, gevangen aan de kust. Ik zie dat “community organizing” nog een hele kunst is. Humor is een onmisbaar element.
Opeens ontstaat er opwinding als een oudere man komt aanrennen: hij heeft een wild zwijn met jonge biggen in de buurt gezien. De Agta aan deze kant van het park hebben sinds een paar jaar de beschikking over windbuksen, en schieten met het grootste gemak de kleinste vogeltjes uit de lucht. Maar als Palanan en Anding 's avonds terugkomen van een paar uurtjes jagen op de zwijnen, valt de buit tegen: een vogeltje, en een schildpad. Eddie heeft op zijn nachtelijke vistocht een moddervis en twee rivier alen gevangen. De hele voorraad eiwitten voor de komende dagen. De schildpad krijgt een gaatje in zijn schild, en dient nog even als speelgoed voor de kinderen. Daarna belandt hij in de kookpot. Na het achterlaten van wat er over is van de rijst, koffie, suiker, zout en andere levensmiddelen, die opnieuw keurig worden verdeeld, gaan we de volgende dag maar weer op pad. Terug naar de krokodillenpost. Na een half uur komen we langs het huis van Estelita, die er gisteren ook bij was. Ze rent ons tegemoet met een kip. Of we de kip willen kopen, voor 100 pesos (EUR 1.50). Ze heeft zes kinderen en is opnieuw zwanger, en heeft niet genoeg geld.
|
|
NCIV
Postbus 94098 1090 GB Amsterdam e-mail: info@nciv.net |
![]() |