![]() |
> 8 januari 2008, zuidoost-Sulawesi Ik zit peentjes te zweten in weer zo'n benauwd internetcafe, maar aangezien dit de eerste fatsoenlijk lijkende verbinding is die ik in Kendari tegenkom zal ik proberen er een verslag uit te persen. Na hevige regenval in Jakarta en Makassar (het is het begin van het regenseizoen! Dat had ik me niet zo gerealiseerd) is het in Kendari opeens weer drukkend warm, wat leidt tot een soort verdoofdheid die moeilijk valt uit te leggen. Maar goed, in Indonesie kan dat zo weer omslaan, spreekwoordelijk afhankelijk van uit welke hoek de wind waait. Afgelopen donderdag ben ik per boot vanuit Makassar (gevlogen vanuit Jakarta) aangekomen in Kendari, de hoofdstad van zuidoost-Sulawesi. Ik ben opgevangen door Syahrir Anwar van LEKAS, een jonge organisatie van inheemse studenten die we vorig jaar via GRIP hebben gesteund. Na een kort bezoek aan hun kantoortje in Kendari, en vervolgens een ontmoeting met Bahaludin van IDRAP (een organisatie van Kulisusu die we in 2003 hebben gesteund), zijn we direct afgereisd naar de geboortestreek van Syahrir: een eilandje voor de kust van Muna. Hoewel we nog niet helemaal klaar zijn met de evaluatie, zal ik toch alvast iets vertellen over het project waar het om gaat.
Doelgroep van het door ons gesteunde project zijn de Bajau, een zee nomadisch volk dat je overal in zuidoost-Azie aantreft. De Bajau wonen op het water: hun huizen staan op lange palen langs de kust. Ze leven volledig van de visvangst en hebben geen eigen land. Ze eten vis, denken vis, praten vis, zijn nog net geen vis eigenlijk. Kinderen van nauwelijks twee jaar kunnen al uitstekend zwemmen - dat moet ook wel, want er valt er geregeld eentje van de wankele steigers. Als ze een jaar of acht zijn kunnen ze lange afstanden zwemmen en meters diep duiken. Het eerste is erg handig als je met je bootje in zwaar weer terecht komt, het laatste bij de jacht op vis. De enige redenen voor Bajau om echt aan land te komen zijn om hun doden te begraven, drinkwater te halen, vis te verhandelen en naar de moskee te gaan. De Bajau zijn lang geleden ge-islamiseerd en hebben geen eigen traditionele gezagsstructuur meer: ze volgen het door de centrale Indonesische overheid ingevoerde (Javaanse) model met een kepala desa (dorpshoofd), en worden gerekend tot de meer gemarginaliseerde groepen van zuidoost-Azie.
Het project was opgezet door een groep enthousiaste Bajau studenten uit de stad (schaars, maar ze zijn er), die vinden dat de Bajau niet alleen maar aan vis moeten denken. Waar de Bajau zich volgens LEKAS meer bewust van moeten worden is dat de overheid bepaalde programma's heeft voor inheemse volken (adat-gemeenschappen, heten die dus in Indonesie) waar zij aanspraak op kunnen maken. Het gaat dan bijvoorbeeld om scholing, sanitaire en economische voorzieningen. Op die manier kunnen de Bajau zich meer "ontwikkelen" en zal er, zo hoopt men, op den duur ook minder op hen worden neergekeken. Ook wil LEKAS graag dat de Bajau weer trots worden op hun eigen adat (traditionele gebruiken), en dat versterken waar nodig is. Om dit alles onder de aandacht te brengen is er begin vorig jaar een conferentie belegd. Behalve meer dan 100 Bajau waren er ook veel overheidsvertegenwoordigers en collega-ngo's. Na de conferentie wilde LEKAS in vijf districten een groep opzetten, die zich met deze thema's gaat bezighouden. GRIP heeft in 2007 zowel de conferentie als de lokale groepen gefinancierd.
In dit project gaat het interessant genoeg niet om de "traditionele" aandachtspunten van het NCIV, die gelden voor de meeste andere inheemse volken. Land bijvoorbeeld is voor de Bajau geen probleem: het dorp van Syahrir is gebouwd langs de kust van een piepklein eilandje zonder drinkwater voorzieningen, waar toch verder niemand in is geïnteresseerd. Ze hebben weinig last van buitenstaanders. Je kunt het goed zien als je aan komt varen: het hele dorp op hoge houten palen (zo'n 200 "huizen") is qua oppervlakte groter dan het eilandje zelf, waar alleen een moskee, een kerkhof en een school staan. Ook natuurlijke hulpbronnen zijn (althans hier) geen probleem: er is nog altijd een overvloed aan vis. Er zijn -nog- geen drijvende visfabrieken uit China die de de zeebodem afschrapen, en in korte tijd een complete baai levenloos kunnen maken.
Omdat het
gezien de afstanden ondoenlijk voor mij is om alle vijf in het project
betrokken districten te bezoeken, heb ik besloten de evaluatie te verdelen
in een bezoek aan een daarvan, en een bijeenkomst hier in Kendari met
hopelijk tenminste 10 ex-deelnemers aan de conferentie. Ook hoop ik
nog een ontmoeting te hebben met KEKARB, een Bajau organisatie die
samenwerkt met LEKAS. De resultaten van al deze ontmoetingen zal ik
jullie in een later stadium nog laten weten. > 12 januari 2008, Tana Toraja Inmiddels bevind ik me in Tana Toraja, in de heuvels van zuid/centraal Sulawesi waar het gelukkig een stuk koeler is dan in Kendari. Mijn bezoek aan Kendari heb ik afgesloten met een formele evaluatie met 15 ex-deelnemers aan de Bajau conferentie vorig jaar. Dat ging niet al te makkelijk: de meesten bleken uiterst verlegen te zijn en durfden niets te zeggen - iets wat ik me nog goed herinner van de evaluatie met IDRAP in 2005. Uiteindelijk kwamen we op het idee om de evaluatie gewoon schriftelijk te doen, aan de hand van een aantal simpele, op het bord geschreven vragen. Zoals "wat heb je geleerd tijdens de conferentie?", "kun je die kennis toepassen in praktische zin, zo ja hoe?" en "heb je suggesties voor een eventueel vervolgproject?" Dat bleek goed te werken, want iedereen ging ijverig aan de slag. Aan het eind werden de deelnemers gevraagd hun stukje voor te lezen en eventueel toe te lichten. Op dat punt aangekomen hadden de meesten hun schroom gelukkig overwonnen. Het resultaat hiervan moet ik nog uitwerken (een gedeelte moet ook nog worden vertaald) en voegen bij dat van de andere ontmoetingen - o.a. met de Bajau associatie KEKARB waarvan ik een behoorlijk goede indruk heb gekregen. Het lijkt er echter op dat de reikwijdte / impact van het project enigszins beperkt is gebleven tot de stad, en dat is jammer. Interessant genoeg, en zeker een punt van bedenking, is dat ik gemerkt heb dat de Bajau zich het afgelopen decennium nogal impopulair hebben gemaakt vanwege hun dynamiet-visserij. De Bajau hebben vanaf het moment dat deze techniek voor handen kwam grote delen van het koraal van Indonesie opgeblazen, en gaan daar hoewel het iets is afgenomen nog altijd mee door, zelfs in de zee reservaten (“Marine National Parks”). De snelle winst die te maken valt als je koraal opblaast of cyanide gebruikt valt natuurlijk in het niet bij het verlies dat je op lange termijn hebt omdat de biotoop volledig is vernietigd, en de koraalvissen niet meer terugkomen. Maar voor de Bajau is dat geen probleem: ze vangen net zo makkelijk diepzeevis en daarvan is er nog volop. Gewoon een kwestie van het zoeken naar nieuwe bronnen, en je vismethoden daarop aanpassen.
Het is natuurlijk heel gemakkelijk om een beschuldigende vinger naar de Bajau uit te steken, maar ik denk dat het probleem wat complexer is. Het heeft te maken met consumptiedrang, waar ook de Bajau niet aan ontsnappen. Immers: als je in een keer veel geld kunt maken kun je bijvoorbeeld een generator kopen. En een televisie, en een schotelantenne. Ik heb er heel wat gezien in het dorp van Syahrir. Toen ik er naar vroeg verdedigden de Bajau zich met de stelling dat zij als enigen de schuld krijgen, terwijl ook veel andere groepen zich aan dynamietvissen schuldig maken. En, zo beweerden sommigen, er is ook al veel veranderd. De Bajau in veel plaatsen zien in dat meer duurzame vismethoden op den duur in hun eigen voordeel kan zijn, en krijgen daar soms geld en andere middelen voor uit projecten van bijvoorbeeld het Wereldnatuurfonds. Maar het blijft een moeilijk punt, en inheemse volken zijn niet heilig.
Ik
laat Kendari achter me. Na een busreis van meer dan 24 uur (...#&*$...!)
ben ik eergisteren aangekomen in de heuvels van Tana Toraja. We hebben
hier tot nu toe geen project gesteund, maar er is wel een bombardement
aan projectvoorstellen op me af gekomen na mijn eerdere bezoek in 2005.
Vanmiddag gaan we daar eens stevig over praten. De organisatie bij wie
ik te gast ben is AMA Toraya, een lokale lidorganisatie van AMAN - Alliansi
Masyarakat Adat Nusantara, ofwel de Indonesische alliantie van "adat
gemeenschappen". Opgericht in 1999 bestaat AMAN inmiddels al uit
meer dan 1000 lidgemeenschappen en groeit nog altijd snel. Misschien
wel te snel. Invloed in dit gebied heeft ook AMA Sulsel (Sulawesi Selatan
- zuid Sulawesi), die weer een regionale tak is van AMAN en behalve AMA
Toraya nog zes andere lokale organisaties en 120 gemeenschappen onder
zijn vleugels heeft. Zoals bij veel andere inheemse organisaties zet
niet het nationale secretariaat van AMAN de lijnen uit maar het vierjaarlijks
congres, waarbij alle lidorganisaties en -gemeenschappen evenveel invloed
hebben.
Dat Toraja zelfbestuur, met een koning aan de top, is volgens de overlevering ontstaan nadat de Toraya ruim 1000 jaar geleden uit het noorden (ergens in of bij het tegenwoordige Vietnam) aankwamen in zuid-Sulawesi. Toen er 150 jaar na hun vestiging interne conflicten ontstonden, besloot de voorouderlijke geest of godheid Tamborolanggi deze op te lossen via deze structuur. De Nederlanders haalden er wat van af - ze sommeerden bijvoorbeeld de koning zijn huis op de top van de heuvel te verlaten en zich te vestigen aan de voet ervan, zodat ze meer controle over hem hadden. Maar ze lieten ook veel intact. Tegenwoordig zijn de ontwikkelingen alleen nog maar goed voor Java, niet voor de "buitengewesten", zegt Pak Sumbolinggi (hij gebruikt veel Nederlandse woorden). Hij ziet als praktische oplossing het meest in een federale staat, met autonomie voor noord-Sumatra (Batak), zuid-Sumatra (Minangkabau), Aceh met speciale status, NTT, zuid-Sulawesi (Toraja), Molukken en west-Papoea.
Het is interessant om te zien hoe de van zijn vroegere macht ontdane adel nu actief is in ngo's. Pak Sumbolinggi heeft er hier in Toraja een aantal opgericht, waaronder het lokale radiostation Swara Tamborolanggi dat sinds 2000 in de lucht is. Ruwweg 40% van de radio-uitzendingen is muziek en 60% informatie, bewustwording, campagne etc. Daarmee komt de stem van Tamborolanggi, de voorouderlijke geest met wie het voor de Toraja allemaal begon, dus weer dagelijks uit de ether... Maar het blijft moeilijk om al die lokale organisaties te financieren. Pak Sumbolinggi herinnert zich maar al te goed het pijnlijke conflict tussen Jan Pronk en de voormalige President Soeharto, die in 1992 zo boos was dat hij tegen Pronk riep: "Loop naar de hel met je ontwikkelingssamenwerking!". HIVOS verbrak daarop de steun aan de Toraja organisaties, zoals veel andere Nederlandse donoren zich terugtrokken uit Indonesië. De steun is maar langzaam teruggekomen, en aan geld is altijd gebrek. Toch kan ook gebrek aan geld tot positieve dingen leiden, meer onderlinge solidariteit bijvoorbeeld. Pak Sumbolinggi belegde, nadat de donoren zich massaal terugtrokken, samen met andere voortrekkers een crisis-bijeenkomst met ngo's en inheemse vertegenwoordigers. Daar werd het plan voor Indonesië-wijde samenwerking geboren. Implementatie ervan moest echter wachten tot na de val van Soeharto. Vanmiddag
en wellicht ook morgen heb ik gesprekken met een aantal organisaties
die onder de paraplu van Pak Sumbolinggi zitten: AMA Toraya, Walda,
Perempuan Kampung (vrouwen van de kampung), en Radio Swara Tamborolanggi.
Ongetwijfeld hebben ze veel verwachtingen en zoeken ze financiering,
lastig om uit te leggen dat we zelf ook te maken hebben met toenemende
financiële
beperkingen. Ik ben verder alvast bezig met het proberen te boeken van
mijn ticket naar west-Papua, maar dat is nog niet gelukt. > 25 januari 2008, west-Papoea / zuid-Molukken Internet blijkt in West-Papoea en ook in de Zuid-Molukken (waar ik nu ben) nog niet zo gevestigd als op andere plekken in Indonesie. Er is hier in Tual bijvoorbeeld precies een internetcafeetje, en vandaag heeft maar een computer een verbinding. Gisteren en eergisteren geen. Ik heb moeten reserveren en krijg voorrang, ten koste van de scholieren van de SMA (middelbare school) aan de overkant. Neo-koloniale verhoudingen in de 21e eeuw, om je rot te schamen maar in dit geval maak ik er toch maar gebruik van. Met dank natuurlijk aan al die over mijn schouders meekijkende tieners...
De afsluiting van mijn bezoek aan Tana Toraja, inmiddels ruim anderhalve week geleden, was na de wat magere oogst van mijn bezoek in zuidoost-Sulawesi gelukkig erg de moeite waard. Het gesprek met AMA Toraya ging over PT Malea, een bedrijf dat in Toraja een grote waterkrachtcentrale wil aanleggen, waarvan het stuwmeer een stuk of 10 dorpen volledig onder water zal zetten. Het speelt al sinds de beginjaren van deze eeuw. Het project ligt stil omdat er eerst een milieueffect rapportage moet plaatsvinden (een wassen neus natuurlijk, hier), maar ziet er ondertussen nog steeds heel dreigend uit. De bewoners die geëvacueerd moeten worden, wordt nauwelijks compensatie geboden, maar dreigen toch te bezwijken voor de 3.000 rupiah ofwel EUR 0.25 per m2 waarvan ze misschien een paar weken kunnen leven maar niet langer. Explosies
om grote stenen uit de weg te ruimen zijn al begonnen, het grondwaterpeil
zakt en er zijn kleine aardschokken voelbaar. Bovendien zal het stuwmeer
een heilige plaats treffen: het is volgens de overlevering de geboorteplaats
van de vrouw van Tamborolanggi, de voorouderlijke godheid van de Toraya.
En tevens de grens vanwaar geen krokodil Toraja kan binnenkomen, omdat
die bang zouden zijn voor een grote krab die Toraja beschermt.
Hoewel de papoea's heel aardige en ontspannen mensen zijn, kostte het me toch moeite om meteen enthousiast te worden over wat er gaande is in de inheemse beweging. Ik heb daags na aankomst lang met Leo Imbiri, directeur van Yadupa, gepraat over het pas ontwikkelde strategisch plan voor de periode 2008-2010. In deze periode wil Yadupa vooral focussen op trainingen voor de eigen staf. Heel plausibel en goed te begrijpen, men wil immers een professionele organisatie opzetten en dan moet je om te beginnen zorgen dat je goede mensen hebt. Die staf bestaat tot nu toe uit een stuk of acht jonge, pas afgestudeerde papoea's, waaronder twee vrouwen. Mijn probleem hiermee is echter: wie garandeert dat deze mensen na afloop van al die trainingen voor deze organisatie willen blijven werken? Yadupa wil een enorme investering in een handjevol mensen, maar misschien moet je die over drie jaar wel opnieuw doen omdat die mensen met inmiddels goede papieren kunnen aankloppen bij commerciële bedrijven. Niet denkbeeldig, het gebeurt op grote schaal... Opportunisme is in Indonesie overal troef. Je hoopt natuurlijk dat er in west-Papoea andere “wetten” gelden en een organisatie als Yadupa een uitzondering op die regel vormt, maar zeker weten doe ik het niet.
Het is in zijn algemeenheid, zo heb ik gemerkt, erg moeilijk om in Indonesië mensen te vinden die (durven) praten over sociale verandering en dus een echt andere mentaliteit hebben, ik heb er zelfs in west-Papoea niet veel ontmoet. Al moet ik er meteen bij zeggen dat ik er maar korte tijd was, en mensen een eigenzinnige mening niet bepaald niet van de daken verkondigen. Organisaties als Yadupa geven wat dat betreft hoop, maar die hoop is vooralsnog wankel. Dat heeft ook te maken met het feit dat het leger en de politie mensen die zich openlijk uitspreken, voor bijvoorbeeld meer rechten voor de papoea bevolking, sterk onderdrukt. Nog in 2001 is papoealeider Theijs Eluay door het leger vermoord, en de angst zit er nog altijd goed in. Ngo's dreigen in veel delen van Indonesië en mogelijk ook in west-Papoea gewoon low-profile business te worden, waar carriere te maken valt. Het is iets waar je als donor-ngo rekening mee moet houden, en alert op moet zijn. Mijns inziens speelt het probleem in Indonesië momenteel meer dan in omringende landen. Ik heb het probleem openlijk besproken met Leo Imbiri van Yadupa en hij erkende het volmondig, al hebben we geen pasklare oplossing kunnen vinden. Na mijn gesprekken met Yadupa in Jayapure heb ik een paar dagen een bezoek gebracht aan de Baliem vallei, het meest toegankelijke deel van het binnenland van West-Papoea. Het is een van de plaatsen waar Yadupa een branch-office wil opzetten. Ik kwam, na de kustplaatsen van Papoea, terecht in een volkomen andere wereld.
De volken rondom de Baliem vallei staan gezamenlijk bekend als Dani. Subgroepen onderscheiden zich van elkaar in taal, uiterlijk, en sociale structuren en gewoonten. Dani mannen dragen van oudsher een peniskoker (koteka) gemaakt van kalebas, waarvan de vorm en grootte verschilt van groep tot groep. Veel Dani, vooral in de meer afgelegen gebieden, smeren varkensvet in hun haar en op hun lichaam om warm te blijven. Terwijl de vallei vanwege de hoogte behoorlijk koel is (en koud als je net van de kust komt!) dragen de mannen traditioneel geen andere kleding dan versieringen als haarnetjes, paradijsvogelveren en nekkettingen van cowrie schelpjes (ook wel porseleinslak genoemd, in het Nederlands). Ongetrouwde vrouwen droegen vroeger gewoonlijk grasrokken, terwijl getrouwde vrouwen rokken van zaadvezels of andere soorten touw plachten te dragen, net onder hun middel. Hoewel de vrouwen meer nog dan de mannen zich tegenwoordig massaal hullen in moderne goedkope t-shirtjes en andere westerse kleding, dragen velen van hen nog altijd lange touwen tassen aan hun hoofd - gewoonlijk zwaar beladen met groenten, of zelfs babies en varkens.
De Baliem vallei is vrijwel uitsluitend bereikbaar per vliegtuig, en er is vanwege de geïsoleerde ligging nog veel “traditie” bewaard gebleven. Een opvallende Dani gewoonte, en tegenwoordig verboden, is het amputeren van een of twee vingerkootjes van een vrouw als een familielid sterft. Ook in Wamena zie je nog veel oudere vrouwen die aan een hand alleen nog stompjes hebben, terwijl ook de andere hand soms al is aangetast. Dani vrouwen smeren zich ten tijde van een rouwperiode ook vaak in met klei. Hoewel de gewoonte van amputatie vanwege het verbod geleidelijk zal verdwijnen, zijn tal van gewoonten en taboes rondom mannen en vrouwen zijn nog precies als in oude antropologische studies. Wat dat betreft lijkt de tijd in de Baliem vallei maar traag vat te krijgen op de sociale patronen. Mannen en vrouwen in de meeste dorpen slapen gescheiden, in traditionele ronde grasdaken hutten (honai). De mannen van een bepaald deel van het dorp slapen soms wel met zijn twaalven opeengepakt in een hut, vrouwen en kinderen uit hetzelfde deel met wat meer ruimte in andere hutten. Na een geboorte mag de moeder doorgaans twee tot vijf jaar geen gemeenschap hebben met haar man, naar verluidt om de moedermelk exclusief veilig te stellen voor dit ene kind. Het feit dat de levensverwachting van Dani relatief hoog is (tegenwoordig 60 jaar), wordt wel met deze gewoonte in verband gebracht. Het sekstaboe kan volgens wetenschappers aanleiding zijn tot polygynie (“veelwijverij”, in oud Nederlands), en zou ook de hoge scheidingspercentages verklaren. Ondanks pogingen van missionarissen dit te verbieden hebben veel Dani hun oude huwelijkssysteem gehandhaafd, ook al omdat het ook een sterke status-component heeft – een man kan zoveel vrouwen trouwen als hij zich kan veroorloven. De bruidegom moet een aantal varkens geven aan de familie van het meisje dat hij wil trouwen, en zijn sociale status wordt gewogen naar het aantal varkens en vrouwen dat hij heeft.
Het verbaasde me hoeveel mannen er nog in peniskoker en hoofdtooien van veren etc lopen. Ook zonder dat ze daarvoor voor een foto geld kunnen vragen aan toeristen - wat ze steevast doen -, want die waren er nu bijna niet. Regenseizoen, en te koud. De "krisis ekonomie" is ook in Baliem goed voelbaar: er rijden busjes vanuit de verderaf gelegen dorpen naar de hoofdstad Wamena, maar veel papoea's gaan lopend (een dag heen, een dag terug) omdat ze geen 5.000 rupiah (EUR 0.40) kunnen opbrengen voor de rit. Baliem is ontzettend duur, omdat alles moet worden ingevlogen. Een fles water van 1 1/2 liter kost er in de winkel 20.000 rupiah (EUR 1.50). Ik heb het nergens in Indonesie zo duur meegemaakt. Niet verwonderlijk dus dat veel papoea's er nog nauwelijks zijn ingezogen in de markteconomie, maar vooral leven van wat hun tuin en het bos opbrengen. De producten van globalisering zijn onbetaalbaar. De Dani eten hoewel het meer status heeft nog steeds geen rijst (daarvoor is het in Baliem te koud, en in de winkel is het 4x zo duur als op Java), maar de traditionele zoete aardappels (ubi).
In een van de dorpen aan het eind van de vallei raakte ik in gesprek
met een oude man, die alleen een peniskoker draagt en in zijn tuin aan
het werk was. Hij heet Nabi, zegt hij, maar hoe oud hij is weet hij niet.
Hij is nog nooit in Wamena (op drie kwartier rijden afstand) geweest.
Wat zou je daar ook zoeken? Het is voor hem duidelijk het eind van de
wereld... Toch heeft ook hij wel vaker blanken gezien, vooral in de maanden
juni-augustus komen veel toeristen naar Baliem. In de topjaren in de
jaren '90 zo'n 6.000 per jaar, na de bom in de discotheek op Bali teruggelopen
naar 1.000 per jaar. Zaken doen dus! Hij haalt zijn verentooi tevoorschijn
voor een fotosessie van 5.000 rupiah.
Tekst en foto's Gerard van Dorp
|
|
NCIV
Postbus 94098 1090 GB Amsterdam e-mail: info@nciv.net |
![]() |